A Dutchman as an American Revolutionary

<--

Een Nederlander als Amerikaanse revolutionair

Van der Leeuwlezing door Russell Shorto

OPINIEIn het denken over de oorsprong van de Amerikaanse Revolutie zijn twee stromingen te onderscheiden.

Door: Russell Shorto, historicus 7 november 2015, 02:00

Een Nederlandse ‘Independence Day’

Onder de titel ‘Dus jullie willen een revolutie’ hield de Amerikaanse historicus Russell Shorto vrijdag de 33ste Van der Leeuwlezing. Zijn Coreferent was de Groningse historicus Hans Renner. Lees hier de ingekorte versie van zijn lezing terug

De een is de Grote-Mannentheorie, die stelt dat revolutionaire ideeën eerst opkwamen bij een elite die werd beïnvloed door de Verlichtingsdenkers in Europa. Dit was het overheersende model in de 19de eeuw. Het beleeft nu een comeback dankzij historici die de aandacht vestigen op Washington, Franklin, Jefferson en Madison. De andere stroming kwam voort uit de onrust van de jaren 1960. Deze beziet de geschiedenis als een ontwikkeling van onderaf en meent dat de aanzet tot de Revolutie voortkwam uit de onrust onder pachtboeren, stedelingen en religieuze fundamentalisten.

Ik wil deze twee richtingen hier samen brengen door me te richten op een grotendeels onbesproken figuur uit die tijd: Abraham Yates die in 1724 werd geboren in Albany in de staat New York. Albany ligt zo’n 250 kilometer ten noorden van Manhattan aan de rivier de Hudson. In de daaraan voorafgaande eeuw was Albany, toen Beverwijck geheten, de tweede stad van de Nederlandse kolonie Nieuw-Nederland. Deze was gesticht door de West-Indische Compagnie, nadat het gebied in kaart was gebracht door Henry Hudson, weliswaar een Engelsman, maar destijds in dienst van de VOC. In 1664 bezetten de Engelsen de kolonie, maar de bevolkingssamenstelling – voornamelijk Nederlanders – bleef grotendeels ongewijzigd.

Traditie

Abraham Yates liet zien dat de Nederlandse claim op Amerika een nieuwe wettige basis vormde voor de Revolutie

Het was in Albany een soort traditie dat Engelse mannen met Nederlandse vrouwen trouwden. Christoffel Yates, de vader van Abraham, was van Engels-Nederlandse komaf. Abrahams moeder Catalijne was Nederlandse. Albany was rond 1750 een erg Nederlands stadje. Trapgevels, koekjes, Delfts-blauwe tegels. Bezoekers vonden het afgelegen en een beetje ouderwets.

De vader van Yates was smid, maar dat kon Abraham, als negende kind, niet worden. Hij werd schoenmaker. Maar hij wilde meer zijn dan een vakman: hij wilde vooruit. Hij sloot een goed huwelijk met Annetje de Ridder, de dochter van een rijke Nederlandse boer.

Toen keek hij eens goed naar hoe zijn stad veranderde. Hij wist dat de pelshandel, de machtsbasis van de invloedrijkste families, op zijn retour was. De stad werd steeds meer een centrum voor handelslieden en vaklui zoals hij: kuipers, leerlooiers, metselaars, blikslagers. Yates wist ook dat de boeren in de Hudsonvallei tarwe verbouwden dat naar het Caribisch gebied verscheept werd als voedsel voor de slaven en dat die schepen op de terugreis rum, suiker en stroop meebrachten. Hij besloot om naast zijn schoenmakerij handel te gaan drijven in deze Caribische goederen.

Maar zijn ambities reikten verder. Terwijl hij zijn handel uitbreidde, en zijn geduld en dat van andere kooplieden met de dominantie van de belangrijke families opraakte, bouwde hij ook aan zijn relaties binnen deze nieuw opkomende werkende klasse.

Machtige families

‘Op wiens gezag?’ brieste Loudon. ‘Op dat van de koning’, zei Yates

In Albany werden de politieke ambten bekleed door de machtige vooraanstaande families, allemaal van Nederlandse oorsprong. Maar voor Abraham Yates was die ongelijkheid niet vanzelfsprekend. In hem broeide een stevige afkeer van de speciale status die de oligarchen aan hun rijkdom ontleenden. Hij merkte dat hij een voorkeur had voor wat hij de ‘middensoort’ mensen noemde. Het was lang gewoonte geweest dat de kiezers zich door de raad van hun meerderen lieten leiden als er op ambtsdragers gestemd moest worden, maar dat begon te veranderen. De gilden van ambachtslieden streefden ook naar politieke macht en Yates kwam op het idee van die onvrede gebruik te maken en de kiezers rechtstreeks aan te spreken.

In september 1753 stelde hij zich verkiesbaar als assistent-wethouder in het derde kiesdistrict van Albany. Het was de laagste positie in het gemeentelijk apparaat, maar ook een voet tussen de deur bij het stadsbestuur. Geheel in strijd met de gewoonte richtte hij zich in zijn campagne rechtstreeks tot de kiezers. In zijn district waren dat ambachtslieden met wie Yates jarenlang zorgvuldig relaties had opgebouwd. Hij werd gekozen.

Het jaar daarop werd hij sheriff van het district. Engeland was in oorlog met de Fransen en hun Indiaanse bondgenoten en als sheriff leverde Yates strijd, niet met de Franse vijand, maar met het Engelse leger, dat de Amerikanen eigenlijk moest beschermen. Er werden in Albany duizenden Britse soldaten gelegerd die Canada op de Fransen moesten veroveren en die soldaten maakten er een zooitje van: ze pleegden inbraken en vielen vrouwen lastig. Yates, die zijn bevolking moest verdedigen, beklaagde zich bij de graaf van Loudon, bevelhebber van het Britse leger in Noord-Amerika. Loudon poeierde hem af en deed minachtend over zijn burgerlijk gezag. Daarop schreef Yates een brief aan de gouverneur.

Openlijke botsing

Kort daarna kwamen Loudon en Yates elkaar op straat tegen, wat tot een openlijke botsing leidde. Loudon zei dat hij de brief van Yates aan de gouverneur had gezien en dat die vol stond met leugens. Yates antwoordde dat elke zin kon worden onderbouwd met getuigenissen. Loudon waarschuwde Yates ook dat hij een bepaalde militaire gevangene niet mocht vrijlaten. ‘Sir, die heb ik al vrijgelaten.’ ‘Op wiens gezag?’ brieste Loudon. ‘Op dat van de koning’, zei Yates. Vervolgens beval Loudon de sheriff zich dagelijks bij hem te melden en ‘als u dat niet doet, laat ik u ophalen door soldaten met de bajonet op de musket’.

De sheriff antwoordde: ‘My Lord, ik heb geen tijd om u van dienst te zijn. Ik moet mij met andere zaken bezighouden.’ Loudon kon zich amper inhouden en zwoer dat hij de brutaliteit van Yates zou afstraffen door diens huis te vorderen als hospitaal voor gewonde soldaten en de plaatselijke kerk tot wapendepot te bestemmen. ‘Ik weet niet wat u zult doen, My Lord’, zei Yates koeltjes, ‘maar ik weet wel dat u daartoe niet het recht hebt.’ Waarop Loudon hem meedeelde dat hij dat recht wel degelijk had: dat de voorzitter van het Hogerhuis in Engeland had verordonneerd dat wanneer het leger een plaats moest verdedigen ‘daar de wet werd opgeschort’ en het leger er de dienst uitmaakte.

In reactie op de brutaliteit van Yates meldde een van Loudons officieren zich bij zijn huis en kondigde aan dat hij daar voortaan zou verblijven. Yates zei dat het huis al vol zat met soldaten. De kapitein antwoordde dat hij desnoods ‘in hetzelfde bed’ zou gaan liggen als Yates en diens vrouw.

Rechten

In de jaren 1770 was Yates een van de eersten die opriepen tot onafhankelijkheid

Yates gaat rechten studeren en schrijft een opmerkelijk memorandum tegen Loudon. Het zijn de jaren 1750, twintig jaar vóór de Revolutie, en deze schoenmaker, een autodidact, neemt het op tegen de machtigste man in Amerika en bevelhebber van het Britse leger, zich beroepend op de Verlichtingsideeën van John Locke over de rechten van een volk. Hij begint zijn betoog met de opmerking dat iedere persoon ‘een vast, bij geboorte meegegeven fundamenteel recht heeft op vrijheid van zijn persoon en op het bezit van eigendom, een recht dat hem niet kan worden ontnomen’. Voorts stelt hij vast dat ‘de koning van Engeland geen wetten kan wijzigen zonder instemming van zijn onderdanen’ en ook niet tegen hun wil wetten kan wijzigen of buiten werking stellen.

Ook schetst Yates de wandaden van de Britse soldaten tegen de burgers van Albany: ‘berovingen, aanrandingen, inbraken en andere afschuwelijke misdrijven zijn er gepleegd, waarvan sommige onder het mom van het dienen van Zijne Majesteit’. Hij meldt dat ‘hinderlijke aantallen’ soldaten bij mensen thuis waren ingekwartierd terwijl een nabijgelegen kazerne leeg stond. Hij stelt dat ‘wij door graaf Loudon bedreigd zijn met het platbranden van onze huizen’, dat geweld van de soldaten ‘de oorzaak van menige miskraam’ was geweest, dat dronken soldaten ‘hoeren meenamen naar hun kamer, met minachting voor de bewoners’, dat soldaten ‘vrouwen van hun bovenkleding hadden ontdaan en de stad uit hadden gejaagd ‘.

In de jaren 1770 was Yates een van de eersten die opriepen tot onafhankelijkheid. Hij werd voorzitter van het Committee of Correspondence, een van de comités die de acties tegen de Britten coördineerden. Vanaf juli 1776 waren de Britse koloniën in Noord-Amerika in oorlog met het thuisland. Met het Verdrag van Parijs van september 1783 behaalden ze een klinkende overwinning, die niet alleen hun continent, maar ook de wereld zou veranderen. Abraham Yates maakte er deel van uit. Hij was een revolutionair geweest, een radicaal, een man die vaak moest vrezen voor de strop. Maar hij werd een van de overwinnaars.

Verrassende draai

In de jaren 1780 maakt Yates een schijnbaar verrassende draai. De bestuursvorm waarvoor de zegevierende Amerikanen hadden gekozen, was een confederatie met een zwakke centrale overheid. Dat vormt een interessante parallel met Nederland twee eeuwen daarvoor. In Amerika zagen mensen zichzelf allereerst als inwoner van Virginia of New York, niet als Amerikaan; net zoals mensen hier zichzelf zagen als Hollanders of Friezen. In beide gevallen belemmerde dit het voeren van de oorlog voor onafhankelijkheid.

Dat aspect speelde na de oorlog nog steeds een grote rol, wat tot uitdrukking kwam in de naam die voor het nieuwe land werd gekozen: de Verenigde Staten van Amerika. Nadat de afzonderlijke koloniën staten waren geworden, behield ze ieder ruime bevoegdheden waarover angstvallig werd gewaakt: het oprichten van een leger, het drukken van geld. De nationale overheid, die geen president had, kon slechts moeizaam met buitenlandse mogendheden onderhandelen.

De meeste leiders vonden dat daarin verandering moest komen. Er was een beweging die naar een grondwet streefde die de federale overheid meer macht zou geven en een zeker gezag over de afzonderlijke staten. Abraham Yates werd een van de scherpste tegenstanders van zo’n federale overheid die, volgens hem, absolute macht zou krijgen. Hij was ervan overtuigd dat de individuele vrijheid het best gewaarborgd was als de macht bij kleine staten zou blijven en niet bij een federale overheid. Een nationale grondwet ‘zal erop uitdraaien dat alle macht van de wetgevende organen van de afzonderlijke staten wordt uitgehold en dat de rechten en vrijheden van het volk verloren gaan’.

Yates legde zijn argumenten voor aan Washington, Jefferson, Madison en Alexander Hamilton, de grote voorstander van een federaal systeem. Hamilton noemde hem ‘een man wiens onwetendheid en eigenzinnigheid slechts worden overtroffen door zijn halsstarrigheid en laatdunkendheid. Hij heeft een hekel aan alle hoogvliegers, zijn benaming voor geniale mannen’. Waarna Hamilton zich wel heel elitair toonde door er aan toe te voegen dat Yates ‘maar een schoenmaker’ was.

Abraham Yates was ervan overtuigd dat de individuele vrijheid het best gewaarborgd was als de macht bij kleine staten zou blijven

Duizenden pagina’s

Uiteraard werd de grondwet ingevoerd. Yates werd in 1790 burgemeester van Albany en bleef dat tot zijn dood in 1796. Hij was een fascinerende man uit de werkende klasse die vastbesloten was op eigen kracht hogerop te komen, die trouw bleef aan de gewone man en wantrouwig stond tegenover de elites.

Toch stond hij ook voor iets meer. In welke mate was zijn eigen kijk op onafhankelijkheid, op revolutie, op de rechten van de gewone man het resultaat van zijn Nederlandse achtergrond? Een deel van het antwoord heeft hij zelf gegeven. Want Yates schreef. Duizenden pagina’s: essays in kranten, artikelen, politieke schotschriften. Een van de boeiendste documenten is een soort geschiedenis van de staat New York, die deels een zeer vroege geschiedschrijving van Nieuw-Nederland is. Hij schreef die in 1776 of 1777, midden in de oorlog, wellicht om de Amerikaanse onafhankelijkheid te rechtvaardigen door aan te tonen dat de Engelsen eigenlijk nooit enige aanspraak hadden gehad op het land.

Yates schreef over ‘de eerste kolonisten van de staat New York’ dat ‘het Nederlanders waren’ die ‘hun geschiedenis, hun aard, rechten, vrijheden, hun opstandigheid’ hadden meegebracht. Hij schreef dat ze uit ‘de zeven Verenigde Staten’ kwamen, die in opstand kwamen vanwege de ‘schending van de rechten en vrijheden van het volk’. Hij schreef over de opstand in Nederland en over de stichting van de kolonie Nieuw-Nederland door deze nieuwe natie.

Wettige basis

Het was niet de ene groep Engelsen die tegen een andere groep Engelsen vocht

Het lijkt erop alsof hij met dit geschrift aan zijn revolutionaire medestanders heeft willen aantonen dat de Nederlandse Republiek niet alleen een goed voorbeeld voor hun acties was maar dat de claim van de Nederlandse natie op het gebied in Amerika een geheel nieuwe wettige basis vormde voor de Revolutie. Hij biedt ons een verdieping van ons begrip van wat er aan de Amerikaanse Revolutie voorafging. Het was niet de ene groep Engelsen die tegen een andere groep Engelsen vocht. De kolonisten waren van gemengde komaf en dat had een invloed die ook gevarieerder was dan ons altijd is voorgehouden.

Yates was zeer bescheiden begonnen en maakte zich het recht en de nieuwe Verlichtingsideeën eigen. Daarbij gebruikte hij zijn kennis van de Nederlandse taal en geschiedenis, en verbond die met de Nederlandse geest van individualiteit met zijn nadruk op individuele rechten, die voortkwam uit de geschiedenis, de strijd tegen het water, de vorming van waterschappen; en uit Descartes en Spinoza en de Gouden Eeuw, wat weer de bezieling bracht voor de opstand tegen Spanje en de Republiek onder Johan de Witt.

Yates gebruikte het gevoel voor onrechtvaardigheid dat altijd in hem opborrelde als man van de lagere klasse en zijn kennis van de geschiedenis van de Nederlandse Opstand om in het Amerikaanse debat een stem te laten horen die het vuur van de revolutie aanwakkerde.

Yates was een kleine man: fysiek, afgaand op het ene schilderij dat we van hem hebben, maar ook in hoe hij zichzelf zag. Hij had het niet op elites. Hij had een egalitaire geest. Als hij de term ‘middensoort’ gebruikte, was dat geen belediging. En ook dat, vermoed ik, verraadt zijn Nederlandse wortels.

About this publication